Quebec – New York

Het einde….

In ons hoofd was het einddoel van onze reis Les Escoumins, een klein dorp ten noorden van Quebec. Hier konden we logeren bij Els en Rudy, de tante en nonkel van Joris en ook de ouders van Joris kwamen ons hier bezoeken.

Door enkele technische problemen met de achterrem en een slechte fietsmecanicien, waren we echter genoodzaakt om het laatste stuk van Quebec naar Les Escoumins met een huurauto af te leggen. Een grote domper op de feestvreugde uiteraard, maar het belette ons niet om volop te genieten van de prachtige streek en de goede zorgen van onze familie. Zo werden we overvloedig getrakteerd op lekker eten (Els en Rudy baten in Les Escoumins een Belgisch restaurant en chocolatier uit) en maakten we uitstapjes naar de naburige bossen, gingen walvissen spotten vanuit een rubberboot en bezochten vrienden die iets verderop wonen in Baie-Comeau.

Ondertussen bleef de Canadese fietsenmaker uit Quebec verder prutsen aan mijn achterrem. Na 10 dagen zou die volledig vervangen zijn, maar dit werden al snel 2 weken en we werden dan ook al een beetje ongerust dat het probleem erger zou zijn als verwacht.
Toen we gingen kijken, bleek echter dat het probleem helemaal niet zo groot was en met een paar aanwijzingen van Joris kon de fietsenmaker in minder dan een uur alsnog de rem vervangen. Het werd wel een V-brake ipv een Magura, maar we konden alvast verder en bij Santos hadden ze al beloofd er in Nederland alsnog een nieuwe Magura op te zetten.

Aangezien onze vrienden uit België ons wilden bezoeken in New York, verlegden we ons eindpunt van Quebec naar New York. Dit gaf ons ook de gelegenheid om onderweg even langs Boston te rijden en Debby te bezoeken die ik op mijn vorige fietsreis door Azië had leren kennen.

Het fietsen viel ons echter enorm zwaar. In ons hoofd hadden we ons doel al bereikt en na 2 weken, bij Els en Rudy, in de hemel te hebben gelogeerd was de overgang naar het echte leven op de fiets moeilijk te verteren. Daarbij kwam nog dat het naar goede gewoonte elke dag van ’s morgens tot ’s avonds bleef regenen.
Opgeven was uiteraard geen optie (al moeten we toegeven dat de gedachte hieraan af en toe wel door ons hoofd schoot) en dus reden we, via lange rechte fietspaden, verder richting VS.

Aan de grens begroette de douanier ons met de woorden “Wow, you guys look terrible! Where did you cycle from, and especially: Why?!”. Volledig doorweekt, koud en ongelooflijk moe deden we ons verhaal en vroegen hem naar het dichtstbijzijnde motel.
“ Well, it’s 4 miles in the wrong direction, but it’s the best you can find. You just go right at the next stopsign and then over a big hill….., well it’s a huge hill…., well it’s 4 miles very steep uphill and the lodge is on top of it…. But it’s really good and after your trip you’ll make it…”. Aangezien we geen andere keuze hadden en we echt uitkeken naar een warme douche en een bed, besloten we het advies van de douanier te volgen. Hij beloofde ons even naar de lodge te bellen om een betere prijs voor ons te onderhandelen en liet ons dan snel vertrekken.
Na 20m hoorde we de douanier plots nog even roepen. Hij was vergeten te vragen of we wapens of drugs bij hadden, maar toen we hier negatief op antwoordden, mochten we zonder verdere controle verder rijden.

In Jacksons lodge werden we heel vriendelijk ontvangen door Gloria, de eigenares van de lodge. We kregen thee en na een kort gesprek met Gloria kregen we een cabine aangeboden voor 12$ per nacht ipv 185$.
Op vraag van Gloria en haar man bleven we ook de volgende dag. Ze vonden het voor ons een must om het nabijgelegen (slechts 45minuten rijden met de auto) mountainbikeparcours van Burke te verkennen. We werden met de auto gebracht, het toegangsgeld (30$) werd voor ons betaald en ’s avonds werden we mooi terug opgepikt en naar de lodge gebracht. Wat een mooie dag!

De volgende dag reden we via New Hampshire en Massachusetts richting Boston. De wegen werden mooier en de prachtige herfstkleuren, in combinatie met de rondomliggende bergen maakten dat we terug iets meer begonnen te genieten van het fietsen. Toen we de White Mountains bereikten logeerden we bij Bob en Sue in hun prachtige villa. Het werd een heel gezellige avond en ’s morgens werden we getrakteerd op het bezoek van een beer die vlak voor het raam door de tuin liep.

Helaas verlieten we de volgende dag al snel dit prachtige gebied en hoe dichter we bij Boston kwamen, hoe drukker de wegen werden en hoe minder mooi het landschap.
Gelukkige vonden we vlak voor Boston een mooi fietspad dat ons tot in het centrum van Boston bracht en vervolgens ook nog eens een heel eind richting het huis van Debby en haar man Dave.

Boston is een mooie stad en we bleven hier toch enkele dagen logeren. Debby en Dave ontvingen ons met open armen, gaven ons een rondleiding door Boston en namen ons mee naar hun vrienden met wie we appels gingen plukken op de lokale fruitboerderij. We kochten een plastiek zak en mochten deze volledig vullen met de appels die we zelf van de bomen trokken. Hierdoor kregen wij (en honderden anderen) goedkoper appels en de boer had veel minder kosten, aangezien het plukken voor hem werd gedaan…. Achteraf bereidden we met onze appels een heerlijke maaltijd en het werd dan ook een heel gezellige avond.

En toen, na nog een weekje fietsen uiteraard, kwamen we aan in New York. Onze vrienden Owen, Steven en Eveline waren aanwezig om ons op te vangen en samen de laatste week van onze reis te vieren. Op het einde van iets moois hoort steevast een apotheose te komen en het beloofde een prachtweek te worden. Helaas dachten de weergoden net hetzelfde en trakteerden ze ons, bij wijze van afscheid, nog even op een mooie orkaan genaamd Sandy.
Onze week brachten we grotendeels door in de hotelkamer, maar gelukkig hadden we goed gezelschap en konden we de laatste dagen alsnog een deeltje van New York zien, zoals weinigen het al gezien hebben, namelijk grotendeels zonder licht.

En toen reden we naar de vlieghaven….

We hadden nu ook het officiële einde van onze reis gehaald en dat ging gepaard met heel dubbele gevoelens. Uiteraard was er de vreugde dat we het gehaald hadden en dat we nu snel al onze vrienden en familie zouden terugzien. Maar tegelijkertijd betekende dit het einde van een prachtige reis die, ondanks het slechte weer, toch een blijvende indruk heeft nagelaten…..

En nu: Sparen voor de volgende reis?

 

 

 

 

 

 

Categories: Allerlei | Leave a comment

Seattle – Banff

In Seattle besloten we om een ferry te nemen naar Whitbey Island en vandaar de San Juan Islands te bezoeken.

We reden tot het dorpje Mukilteo en namen daar de ferry. Uit Seattle rijden was even prettig als de stad binnenrijden: we konden bijna tot aan de ferry (ca 80 km verder) op een fietspad blijven rijden.
Whitbey Island was zeer mooi en het was relatief rustig fietsen. We spendeerden hier twee dagen en namen dan de ferry naar Orcas Island. Hier was het nog veel rustiger om te fietsen en we genoten van de uitzichten.
Orcas is maar een klein eiland, we reden dus naar de enige camping die het eiland rijk is en reden de volgende dag terug naar de ferry. De camping was heel idyllisch gelegen aan de voet van Mount Constitution en naast een groot meer. Dé activiteit die iedereen doet op het eiland is natuurlijk de berg opgaan en genieten van het mooie uitzicht, maar lui als we zijn, deden wij daar dus niet aan mee en besloten we maar om een duik te nemen in het meer.

De volgende dag was het laatste eiland aan de beurt: San Juan Island. Hier leerden we fietster Jasmine kennen waar we een dagje mee samenfietsten. San Juan Island staat bekend om zijn vele orka’s die hier het hele jaar rond vertoeven. We speurden heel de dag de kustlijn af, maar er viel natuurlijk nergens een vin te bespeuren. Ook aan het walvis observatiepunt zagen we, buiten een spelende zeehond, niets… Op de camping vernamen we dat alle orka’s zich enkele dagen ervoor bij elkaar hadden gevoegd (normaal zaten er drie kleinere groepen, maar nu hadden ze zich dus verenigd), en naar de kustlijn aan de Olympic mountains waren getrokken. Niemand wist goed waarom en men zei dat het nog nooit was voorgevallen… ze waren het er wel allemaal over eens dat de walvissen snel zouden terugkeren maar daar waren wij dus vet mee… We troosten ons dan maar, samen met Jasmine, met een heerlijk avondmaal (burrito’s), dronken een lekkere fles wijn en sprongen in het ijskoude water.

De volgende dag namen we de ferry naar Sidney (op Victoria Island, Canada) en vandaar namen we diezelfde dag nog een ferry naar Vancouver. Het weer was prachtig en toen we Vancouver binnenreden schrokken we van het feit dat iedereen in bikini in het park lag of lag te zonnebaden aan het strand. Dit was niet het beeld dat we hadden van het (in onze ogen) koude Canada!
De eerste avond konden we ons tentje opzetten in de tuin van Justin. De dag nadien verhuisden we naar het appartement van Rachel en Graeme omdat we daar een dubbel bed aangeboden kregen. Na al die tijd in ons tentje ( in Seattle hadden we immers ook in de tent geslapen) klonk een bed toch heel aanlokkelijk.
Rachel en Graeme namen ons de eerste avond mee naar een bbq in het park in het gezelschap van enkele vrienden. Het werd een hele leuke avond en we voelden ons onmiddellijk thuis in deze stad. Vancouver is echt een toffe, mooie stad en we brachten hier meer tijd door dan we gepland hadden. Het enige dat tegenviel was het feit dat het in Canada nog duurder was om te eten en drinken dan in de USA. Een pintje kostte gemakkelijk 7 of 8 dollar wat voor onze portemonnee toch nét iets te veel was.

We konden natuurlijk niet eeuwig in Vancouver blijven en na 6 dagen besloten we dan toch maar om te vertrekken. We besloten om highway 7 te nemen om Vancouver buiten te rijden omdat deze weg volgens iedereen het rustigste zou zijn om de stad uit te rijden… dit viel toch een beetje tegen en het duurde een hele dag voor de ergste drukte van de grootstad achter ons lag. De volgende dagen werd de weg geleidelijk aan rustiger.
Na drie dagen zetten we ons tentje op aan Kilby provincial park… Nòg een tegenvaller in Candada: de prijs van de campings… Je betaalt makkelijk twintig dollar (soms zelfs meer) voor een klein plekje op een camping zonder douche. Kilby provincial park was niet anders: 25 dollar en geen douche aanwezig. De eigenaar kwam ons echter tegemoet en we mochten ons tentje op het strand naast het meer neerzetten voor 10 dollar. De omgeving was fantastisch en weer doken we in het ijskoude water om ons te verfrissen. Naast ons stonden enkele gekke, maar aardige, Canadezen die ons een pintje aanboden. Het werd een gezellige avond aan het kampvuur hoewel we onze nieuwe Canadese vrienden steeds slechter en slechter verstonden hoe meer bier er vloeide…

We passeerden het dorpje Hope, waar blijkbaar de eerste Rambo film werd opgenomen, en kwamen zo op highway 1 terecht. Hier werd het verkeer opnieuw drukker en de omgeving werd stilaan iets ruiger met de eerste besneeuwde bergtoppen in de verte. We hadden gehoord dat de weg vanaf het dorpje Hope zou beginnen stijgen, maar eigenlijk merkten we er niet veel van. De hellingsgraden waren niet groot en we konden geregeld ook opnieuw afdalen. Heel de weg tot aan de Rocky Mountains vonden we eigenlijk helemaal niet zwaar qua beklimmingen… of zijn we toch fitter dan we denken na al die maanden training?

Highway 1 was zoals gezegd een pak drukker, maar er was overal een goede berm waardoor het fietsen uiteindelijk goed meeviel. We moesten enkel een aantal tunnels door en deze waren levensgevaarlijk! In de meeste tunnels tunnels was een zogenaamd bikepath: een heel smal voetpadje waar we met onze fietsen en zakken nét opkonden… als er echter een vrachtwagen door de tunnel kwam, veroorzaakte die zo’n windhoos dat we moesten stoppen met fietsen omdat we anders van het smalle paadje geslingerd zouden worden… . In sommige tunnels was er zelfs geen fietspad voorzien, er stond enkel een knop waar fietsers op moesten drukken zodat er lichten begonnen te flikkeren, om de automobilisten te waarschuwen voor het feit dat zich fietsers in de tunnel bevonden.
We vertrouwden het toch niet helemaal en besloten om onszelf toch maar op het nòg smallere voetpaadje te wurmen. Gelukkig, want de auto’s hielden dus absoluut geen rekening met de flikkerende lampen en vertraagden in het geheel niet toen ze door de tunnel scheerden. Later hoorden we van een automobilist dat hij nog nooit gezien had dat er een waarschuwingssignaal voor fietsers bestond hoewel hij al jaren in deze streek woonde…

Op een gegeven moment stonden we met ons tentje op de camping in Lytton. Toen ik in de douche zat, hoorde Joris opeens verschillende mensen roepen. Toen hij opkeek zag hij dat er een grote bruine beer vlak naast ons tentje liep! Joris wist niet goed of hij moest weglopen of moest blijven staan om foto’s te nemen, maar koos uiteindelijk toch voor de tweede optie 🙂
Toen ik uit de douche kwam zag ik de beer nog rustig wegwandelen van de camping. We hebben die nacht geslapen met één oog open en de berenspray binnen handbereik!

Omdat de weg niet zo fel op en neer ging als we verwacht hadden, konden we goed vordering maken en kwamen we sneller dan gepland in het dorpje Kamloops aan. Hierdoor konden we een rustdag in het dorp inlassen. We verbleven bij Kathy, een lieve dame die ons meenam voor een training op de dragonboat. We hadden dit nog nooit gedaan en amuzeerden ons rot! De dag erna voelden we het beiden wel in onze rug en armspieren. Kathy legde ons twee dagen in de watten waardoor we goedgemutst verder konden rijden.

Na Kamloops werd de omgeving ruiger en ruiger en we genoten meer en meer van de prachtige uitzichten. Vlak voor we Jasper nationaal park binnenreden, verbleven we bij Tom in het dorpje Valemount. Tom was een huis aan het bouwen iets verder in het dorpje en vroeg aan Joris of hij wou helpen om een raam mee te plaatsen. Met een bang hartje hielp Joris hem en nu kan hij trots zeggen dat hij mee een huis bouwde in Canada 🙂

Na Valemount reden we Jasper nationaal park binnen en zaten we officieel in de Rocky Mountains. De omgeving was prachtig!
De volgende dag kwamen we in het dorpje Jasper. Dit is een gezellig plaatsje maar erg gericht op toeristen. We sloegen hier onze voorraad eten in voor de komende dagen want we zouden pas binnen een driehonderdtal kilometer opnieuw een winkel tegenkomen.
Na Jasper kwamen we op de Icefield Parkway terecht en deze weg was echt prachtig! Er was ook nauwelijks verkeer omdat er geen vrachtwagens mochten rijden. De eerste dag waren er nog relatief veel rv’s omdat we op de laatste dag van een verlengd weekend arriveerden, maar hierna was het toeristenseizoen zo goed als gedaan waardoor het enorm rustig werd.

We genoten echt met volle teugen van de Icefield parkway en besloten om aan de camping naast het Columbia Icefield een rustdag in te lassen zodat we konden gaan wandelen. Andere mensen op de camping hadden ons aangeraden om een wandelpad te nemen dat een viertal km verder langs de kant van de weg begon. Omdat we echt geen zin meer hadden om te fietsen, besloten we om erheen te wandelen. De vier kilometer bleek uiteindelijk meer dan 7 kilometer te zijn en dan waren we nog maar aan het begin van het pad, vandaar moesten we nog 3 km naar boven wandelen. Maar we hadden hier absoluut geen spijt van! Boven op de berg hadden we immers een prachtig uitzicht op de Saskatchewan Gletsjer. Echt onvoorstelbaar mooi!

In de namiddag besloten we een wandeling te maken naar de bekendste gletsjer van het park: de Athabasca Gletjser. Deze gletjser is van op de weg heel goed te zien en is een echte toeristenattractie. Het was echter zeer verontrustend om te zien hoe snel de gletsjer in omvang afnam. Overal stonden bordjes om de oudere grens van de gletsjer te markeren en hij krimpt dramatisch. Je zag ook dat het begin van de gletser bestond uit een erg dunne ijslaag en overal werd melding gemaakt dat zich onder deze ijslaag al een heel meer gevormd had. We vielen dan ook bijna om van verbazing toen we een eind verder in het midden van de gletsjer een bus zagen rijden! Het is blijkbaar een toeristenattractie om met de bus over de gletsjer te rollen en zo écht het gevoel te krijgen dat je op het ijs bent. Wat de warmte van de bus en de uitlaatgassen met het smeltende ijs doen is nog maar de vraag… maar blijkbaar is het in een nationaal park ook belangrijker om geld binnen te krijgen dan om aan natuurbehoud te doen. We werden er beiden echt triest van.

De volgende dag was het weer volledig omgeslagen. Toen we begonnen met fietsen was het nog niet aan het regenen maar de lucht zag er niet al te veelbelovend uit. En ja, na een uurtje of zo begon het te stortregenen… en het blééf regenen. Dit in combinatie met de ijskoude temperaturen maakte dat we al snel verkleumd op de fiets zaten. Tegen de middag kwamen we een restaurant met bijhorend motel tegen. We besloten hier een hamburger te eten en te wachten tot de stortbui een beetje weggetrokken was…
Het bleef echter regenen en we zaten er echt onderdoor waardoor we toch eens gingen horen hoeveel een nacht in het hotel kostte… Dit bleek 180 dollar te zijn, veel te veel dus, waardoor we na twee uur wachten uiteindelijk toch maar terug vertrokken. Na een half uur klaarde de lucht gelukkig op maar het bleef koud waardoor we liefst op de eerste camping die we tegenkwamen onze tent wilden opzetten. Deze camping bleek echter gesloten en met al de berensignalementen voelden we er niet veel voor om in het wild te gaan kamperen. De volgende camping lag echter na de hoogste bergpas van het park… We waren moe maar de benen wilden nog wel mee waardoor we besloten om ervoor te gaan.
We waren zo blij toen we de top bereikt hadden en we in de verte een richtingaanwijzer voor logement zagen staan. Toen we erheen reden voelden we echter al aan dat het geen optrekje zou zijn dat we zouden kunnen betalen, het zag er nét iets te chique uit… De prijs voor een kamer bleek 360 dollar te zijn (slik) maar de patron wou wel een deal voor ons maken en een kamer aan de prijs van 250 dollar geven. Als we de lotto gewonnen zouden hebben, had dit geen probleem geweest maar nu zagen we ons dus genoodzaakt om 10 km verder te fietsen naar de jeugdherberg.
Na een dag van 116 km afzien kwamen we eindelijk aan… bleek dat een kamer 26 dollar per persoon kostte… Een gemeenschappelijke kamer die we met veertien anderen moesten delen én als klap op de vuurpijl was er geen douche aanwezig! Er was wel een sauna en na afloop konden we dan in de gletjserrivier springen. Maar na vijf dagen zonder douche zitten stinken op de fiets hadden we écht geen zin om in een hete sauna te gaan zitten en ik denk dat de anderen in de sauna ook niet blij zouden geweest zijn met ons gezelschap… En de gletsjerrivier was ook nét iets te koud naar ons goesting.
Dus… dan maar naar de camping ernaast. Op elke camping staat een hut waar je een vuur kan maken, kan koken, je kleren een beetje te drogen kan hangen en zelf ook een beetje kan opwarmen. Maar het zat ons dus echt niet mee… de hut op de camping was afgehuurd door een bende studenten en wij mochten er niet bij. We waren moe en verkleumd en dit was even de druppel, de traantjes vloeiden opeens over mijn wangen en zelfs Joris was neerslachtig. We kropen dan maar dicht bij elkaar in ons tentje om het iets warmer te krijgen.

De volgende dag waren onze kleren nog steeds nat en was de hut nog steeds afgehuurd. De studenten zaten rustig te ontbijten… Gelukkig was de lucht volledig opengetrokken en konden we onze kleertjes toch een beetje in het zonnetje leggen. Bovendien hadden we niemand van de camping gezien waardoor we ook niet betaalden voor de nacht.
De weg naar Banff was nu ook niet zo lang meer aangezien we gisteren zo goed gefietst hadden én het ging bijna volledig bergaf.
We waren enorm content dat we in het dorpje Banff aankwamen, het is echter een dorp speciaal gemaakt voor de toeristen en het is er allemaal ook weer heel duur. Het goedkoopste hotel was een jeugdherberg waar we een gemeenschappelijke kamer kregen voor 30 dollar per persoon. Maar er was een heerlijk warme douche en de bedden waren zacht waardoor we dit graag betaalden.

Dit was ons laatste ettappe aan de westkust. Vanaf hier zullen we een bus nemen naar Quebec (drie dagen op de bus) en zullen we met het echte einde van de tocht beginnen: de oostkust van Canada en de USA. We worden er beiden al weemoedig van.

 

Categories: Allerlei | Leave a comment

San Francisco – Seattle

Op 10/7/2012 stapten we na twee weken rust terug op onze fiets om onze tocht richting het noorden verder te zetten.

Met pijn in het hart namen we afscheid van de fantastische stad San Francisco. We reden over de Golden Gate Bridge die, hoewel bijna volledig verscholen in de mist, toch immens mooi is. De mist maakte het zelfs allemaal nog een beetje dramatischer.

De eerste dag verliep het fietsen echt niet vlot, de benen waren niet meer gewend om te werken en voelden aan als lood… We reden iets meer dan vijftig kilometer naar de dichtstbijzijnde camping na de stad en zetten daar al ons tentje op. De dag nadien moesten we al noodgedwongen een rustdagje inlassen omdat ik me helemaal niet goed voelde… Kwam het door de lange rustperiode of door het feit dat ik mijn pa’ke toch een beetje miste… Wie zal het zeggen 🙂

Gelukkig stonden we in het mooie Samuel P. Taylor park midden in een bos van zeer grote redwoods, waar het heerlijk uitrusten was.
Er waren ook een heleboel andere fietsers waar we een gezellige avond mee hadden. Overal op de campings in Californië staan bakken om eten in te bewaren omdat de raccoons (wasberen), vogels en eekhoorns hier echt agressief zijn als het op eten stelen aankomt.
We zaten op een bepaald moment nog wat na te praten met enkele fietsers toen er ineens een gil kwam uit de tent van een andere fietser die een uur daarvoor was gaan slapen. Bleek dat hij nog één zakje met eten in zijn tent had genomen… de raccoons hadden dit natuurlijk geroken en hadden gewoon een enorm gat gemaakt zijn tent! Het maakte voor hen niets uit of er iemand in de tent lag of niet, bang zijn die beestjes echt niet! Dus vanaf nu steken we echt élke kruimel in die etensbakken!

Na deze rustdag waren het hoofd en de beentjes terug volledig mee en konden er terug meer en meer kilometers worden afgelegd.
De Californische kust bleef echt prachtig, enkel het verkeer begon ons de keel een beetje uit te hangen. Aan de kust is er meestal maar één mogelijkheid tot fietsen en dat is ofwel op de highway 1 of op highway 101. Highway 1 viel over het algemeen nog mee van verkeer, maar er was geen berm en tijdens de drukke zomermaanden rijdt het vol campers en RV’s (die dikwijls gewoon tot huis omgevormde bussen zijn ). In Amerika heb je bovendien geen speciaal rijbewijs nodig om met deze monsters te mogen rondrijden. Nee, je kan ze gewoon huren en de dag erna kan je ermee op de baan. Gevolg: het merendeel van de chauffeurs weet niet hoe ze met zo’n gevaarte om moeten gaan en vormen een gevaar op de baan.  Zeker als er achter die bus nog een auto of boot aan vastgemaakt zit…
Op highway 101 was het verkeer nòg drukker maar daar had je (meestal) wel een berm.

We probeerden om het niet aan ons hart te laten komen en te genieten van de sfeer aan de kust. Gelukkig lukte dit zeer goed, zeker omdat er zo veel andere fietsers waren. We stonden op bijna geen enkele kampeerplek alleen en bijna elke avond hadden we leuke en gezellige gesprekken met andere fietsers over hun avonturen.

Het enige wat ook een beetje tegenzat was het weer. Het was dikwijls mistig en tegen de avond was het erg koud waardoor de fleece truien steeds bovengehaald moesten worden. Maar we klaagden natuurlijk niet zolang het niet regende!
Na een aantal dagen fietsen draaide de weg iets meer naar het binnenland en moesten we een klim van 18 km doen. Iedereen had ons verteld dat het weer na deze berg veel beter zou zijn omdat de mist van de kust tegengehouden werd. De temperaturen waren inderdaad hoger maar de volgende dag regende het heel de dag pijpestelen. We waren doorweekt!
Omdat we echt geen zin hadden om met zo’n weer in ons tentje te moeten slapen, besloten we om te horen hoeveel een motel kostte in het dorpje Garberville. Wel, dit viel serieus tegen… de goedkoopste kamer was 70 dollar en dat was echt te veel voor ons budget.
Ik zat verkleumd op Joris te wachten op de dorpel van een motelletje toen er een Australiër op ons afstapte. Hij was met de moto aan het rondreizen en had zo’n medelijden met ons dat hij ons 20 dollar gaf zodat we toch konden genieten van een warme douche en een heerlijk bed! Fantastisch!

De dag nadien was het weer gelukkig opgeklaard en kwamen we langs de Avenue of the Giants. Dit is een zeer mooi nationaal park vol immense redwood-bomen die zo groot waren dat we er met fiets en al in konden staan! Omdat het hier zo mooi en rustig was, besloten we om in het park te overnachten.

Nadien begon het drukke verkeer en de aanhoudende wind ons meer en meer parten te spelen. De omgeving was nog steeds prachtig, maar we konden er gewoon niet meer van genieten omdat we ons steeds op het verkeer moesten concentreren in de hoop dat we niet aangereden zouden worden. Nadat we in de staat Oregon aangekomen waren stak ook de wind meer en meer op waardoor het echt vechten werd op de fiets. We probeerden zo vroeg mogelijk te starten omdat de wind meestal in de namiddag opkwam, maar steeds moeten fietsen met een bang hartje en hopen om zo veel kilometers te doen voor twaalf uur was echt niet prettig meer.
Omdat we echt niet meer aan het genieten waren en we van anderen hoorden dat het verkeer zo erg zou blijven, besloten we om na Reedsport het binnenland in te trekken. Hier konden we kleinere wegen nemen en zou de wind ook wat minder zijn omdat deze afgeblokt werd door het kustgebergte.

En we zijn enorm blij dat we deze beslissing genomen hebben. Na het dorpje Reedsport kwamen we op een hele mooie weg terecht waar we in twee dagen misschien tien auto’s gezien hebben. Fantastisch! Ons gemoed ging direct terug omhoog en we wisten opeens weer waarom we in godsnaam op de fiets zaten. We hadden terug het gevoel dat we mooie dingen zagen die je per auto niet zo goed kunt ervaren en konden eindelijk terug van de omgeving genieten.
Omdat het zo mooi en rustig was, besloten we om er extra van te genieten en een kort dagje in te lassen. We zetten ons tentje op naast een riviertje waar we heerlijk konden zwemmen. Naast ons stonden drie Amerikanen met hun pick-up en camper die er enorm trots op waren dat ze rednecks waren ( ze benadrukten dit dan ook voortdurend)… Ze hadden de grootste auto, dronken met veel plezier het slechtste bier (bush light!) en hadden een hele boom omgehakt voor een klein kampvuurtje… Maar soit, ze waren heel vriendelijk, gaven ons ook een heerlijk pintje (niet echt dus) en maakten voor ons lekkere rivierkreeftjes (die ze wel net lekker illegaal hadden gevangen in de rivier) met lookboter klaar, smullen!

De dag nadien kwamen we aan in de stad Eugene. Een enorm gezellige stad waar men enorm trots is op het feit dat ze heel veel fietspaden hebben en waar de gemiddelde inwoner makkelijker de fiets dan de wagen neemt.
We logeerden bij het supertoffe gezin van Paul en Monica en bleven langer dan verwacht hangen. Paul maakte voor ons zijn bekende, heerlijke pizza klaar en Joris maakte de dag nadien zijn eigen succesgerecht met pasta en kip klaar. Het was echt heel leuk, vooral ook met de twee jongste kinderen Dare en Sanguine, en we hadden hier nog veel langer kunnen blijven als we gewild hadden.
Maar de fiets riep ons en na drie dagen vertrokken we richting Portland. De weg bleef nog steeds heel rustig en we konden vooral langs plattelandswegen fietsen. We fietsen door een dal met links van ons het kustgebergte en rechts de cascades (rocky mountains), waar we geregeld een vulkaan zagen.

Onderweg naar Portland kwamen we andere fietsers tegen, Ralph en Cynthia. Zij waren op een korte trip naar Eugene samen met een bevriend koppel. Het was hun laatste fietsdag voor ze terug naar hun huis in Portland zouden gaan en ze boden ons een slaapplek aan als we in de stad zouden aankomen.
Na drie dagen fietsen kwamen we in Portland en belden we Ralph. Hij was superenthousiast, pikte ons met zijn auto op en bracht ons naar zijn woning. We kregen een heerlijk warme douche én een bed. We waren in de wolken aangezien het heel lang geleden was dat we nog eens in een bed geslapen hadden.

Mijn fiets maakte al een aantal dagen vreemde geluiden aan het voorwiel. We hadden het al een aantal keer bekeken maar konden niets van mankement ontdekken. Tijdens de laatste kilometers naar Portland werd het echter veel erger en vooral tijdens het afdalen maakte de fiets heel vreemde geluiden. Ik was er niet gerust op en zag in gedachten al hoe er iets brak en ik over de kop zou gaan… We vertelden aan Ralph dat we graag naar een fietswinkel zouden gaan en hij bracht ons de volgende dag naar een winkel waar hij de fietsmechanieker kende. Hij zei dat mijn wielas stuk was en verving heel mijn voorwiel…

Portland is ook een zeer gezellige stad en staat ook bekend als fietsstad. Er zijn zeer veel fietspaden en trails langs de rivier. Heel gezellig. We bleven twee dagen in deze stad voor we verder gingen naar Seattle.

Portland buitenrijden was iets minder tof omdat we een tijd op een drukke baan terechtkwamen.
Na ongeveer 50 km moesten we de Colombia- river oversteken. Iedereen had ons al gewaarschuwd voor de bruggen die over deze rivier gaan: deze zouden heel hoog en heel druk zijn en zouden niet over een berm beschikken. Ik maakte me dus al grote zorgen… We hadden gehoord dat de Longview brug de beste optie was en kozen deze weg. En uiteindelijk viel de brug heel goed mee, ze was weliswaar hoog en er was veel verkeer maar er was ook een berm waar we op konden fietsen.

We wilden die avond overnachten in Seaquest state park, naast vulkaan St. Helens,  wat volgens onze kaart maar een tiental kilometer van de grote baan zou afliggen. Nadat we de afrit genomen hadden, stond er echter geen bewegwijzering meer en wisten we niet meer of we nog in de goede richting zaten. Joris stapte op een mevrouw in een auto af en zij bood aan om ons een lift te geven naar het park. En gelukkig maar, want we zaten dus niet op de juiste weg én het park bleek ook nog eens veel verder weg te liggen dan onze kaart had aangegeven. We hadden die dag al 115 km gefietst en waren dus enorm dankbaar met de lift! De dag erna besloten we om terug naar de grote weg te fietsen en het bleek 20 kilometer te zijn voor we terug bij ons aanknopingspunt met de route waren. Het dubbele dus van wat onze kaart had aangegeven!

Nadien moesten we nog drie dagen fietsen voor we in Seattle aankwamen. De laatste avond belde Joris aan een huisje aan om te vragen of we onze tent in het aanpalende weiland konden zetten. Het gezin was heel vriendelijk en we hadden een heel gezellige avond. De man maakte zelfs zijn eigen bier, dat geïnspireerd was op Belgsich bier, en het was dus echt heel lekker! Het was zelfs één van de lekkerste bieren die we hier in de USA al gedronken hadden!

De dag erna fietsten we naar Seattle en het was echt een plezier om deze stad binnen te rijden. We hadden schrik dat er zeer veel verkeer zou zijn, maar veertig kilometer voor de stad begon er een fietspad dat ons helemaal naar het centrum bracht. Geweldig! Dit is de eerste stad in Noord-Amerika waar we zo vlot en rustig konden binnenfietsen.
We verblijven nu bij een jong koppel, Martina en Jason, die zelf overtuigde fietsers zijn en een eigen fietstassenlijn proberen te ontwikkelen. Seattle is een gezellige stad waar we gerust weer wat tijd kunnen doorbrengen.
Binnen een aantal dagen vertrekken we terug en zullen we het laatste land van deze reis binnenfietsen: Canada.

Categories: Allerlei | Leave a comment